Geschiedenis van onze school

De geschiedenis van onze Kleyenburgschool.

De onderstaande tekst is zorgvuldig samengesteld door de heer Henk Kreger. De heer Kreger doet veel onderzoek naar de geschiedenis van Franeker en andere dorpen in onze regio. Een aantal interessante boekwerken staan op zijn naam. Jarenlang gaf de heer Kreger op een erg boeiende wijze geschiedenislessen aan de bovenbouw van onze school. Vooral de inspirerende wijze waarop hij kon vertellen over de eigen geschiedenis wist vele kinderen te boeien. Ook  heeft hij het boekwerkje geschreven over de geschiedenis van onze school ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan.

School Kleijenburg

Basisschool “Kleijenburg” is in 1881 ontstaan uit de voormalige school B en de kleuterschool “Bambi”. Op 11 mei van dat jaar werd het schoolgebouw, dat dateert uit 1940, na een inwendige verbouwing opnieuw in gebruik genomen. De klassen van de vroegere kleuterschool (voorheen gehuisvest in een gebouw op de hoek van de Schoolsteeg en het Martiniplantsoen) werden toen de groepen 1 en 2 van de basisschool. De klassen 1 t/m 6 van de lagere school werden voortaan de groepen 3 t/m 8.

 Van 1981 tot 1995 was Klaas Arend Bouma directeur van de school en Ellen Dreijer-van Sisseren adjunct-directeur. Daarna werd Ineke Langius directeur en Douwe Dijker adjunct-directeur.

TOP


School A en school B

De lagere scholen A en B zijn in 1935 opgericht, ter vervanging van de voormalige scholen I en II. Beide scholen waren gehuisvest in het uit 1877 daterende gebouw bij de Noorderpoort. School A telde zeven klassen, die alle een eigen lokaal hadden. School B telde zes klassen, verdeeld over slechts drie lokalen. Elke leerkracht van die school moest dus les geven aan twee klassen tegelijk. In 1939 werd het schoolgebouw afgekeurd en afgebroken. Op dezelfde plaats werd een nieuwe school gebouwd (de huidige Kleijenburgschool), die op 14 maart 1940 in gebruik werd genomen. In juni 1941 moest de nieuwe school worden ontruimd, omdat het gebouw door de Duitse bezettingsmacht werd gevorderd. Pas na de bevrijding in 1945 konden de meesters, juffen en leerlingen weer terugkeren. In 1953 werd de school uitgebreid met twee nieuwe lokalen en in 1974 werden de beide personeelskamers gebouwd. In 1977 verliet school A het gebouw om een nieuwe school aan de IJsbaanweg te betrekken (“‘t Klokhûs”, nu “de Opslach”), zodat school B (sinds 1960 een volledige zesklassige school) alleen achterbleef en dus veel meer ruimte kreeg. In 1980/81 is de school van binnen geheel vernieuwd. In dat jaar vond ook de reorganisatie plaats en kreeg de school tevens zijn huidige naam.   

Hoofd van school B waren achtereenvolgens: Wijtze Ennema (tot 1936), Harmen Rast (tot 1946), Ebko Douma (tot 1953), Johannes Paulides (tot 1970) en Klaas Arend Bouma

Hoofd van school A waren tot 1977 achtereenvolgens: Jan Bakker (tot 1960), T. Broekens  (tot 1963) en J. Jongsma.

In 1977 heeft school A een nieuw gebouw aan de IJsbaanweg betrokken en kreeg bij die gelegenheid de naam “‘t Klokhûs”. In 1973 was al een derde openbare basisschool opgericht in de wijk “Arkens”, genaamd “Fûgelflecht”. In 1979 is in de wijk “Hamburgerrak”een vierde school gesticht: “‘t Kofschip”. Deze school is echter in 199?  gefuseerd met “‘t Klokhús” en ondergebracht in de vergrote school aan de IJsbaanweg die nu “Opslach” heet.

TOP


School I en school II

De lagere scholen I en II waren in 1921 opgericht ter vervanging van de vroegere scholen B en C. School I werd ondergebracht in een (intussen allang afgebroken) schoolgebouw aan de Zuiderkade, terwijl school II het gebouw bij de Noorderpoort betrok. Tot 1933 moest men deze ruimte echter delen met de openbare ULO (school III). In dat jaar verhuisde de ULO naar de Zuiderkade en kwam school I in hetzelfde gebouw als school II. Dat bleef zo tot de reorganisatie in 1935.

 Wijtze Ennema was hoofd van school I en Hijltje Steegstra had de leiding van school II. Hij werd in 1931 opgevolgd door Jan Bakker.

TOP

School B en school C

De voormalige lagere scholen B en C waren in 1881 opgericht. Eigenlijk was er van een oprichting echter geen sprake, er werd alleen een naamsverandering ingevoerd. School B was de voortzetting van de voormalige Burgerschool en school C die van de vroegere Armenschool. De MULO (later ULO) werd sinds 1881 school A genoemd. De oude namen bleven in de volksmond echter gewoon bestaan. In de praktijk bleef dat ook zo, want het onderwijs aan school C was kosteloos en de kinderen van die school werden doorgaans niet toegelaten tot de MULO.

De reorganisatie van 1881 werd doorgevoerd toen aan de Zuiderkade een nieuw schoolgebouw in gebruik werd genomen: hierin werd school B ondergebracht. School C (met 583 leerlingen) bleef in het vier jaar eerder opgerichte gebouw bij de Noorderpoort. Deze school telde in 1881 583 leerlingen. Het aantal leerlingen verminderde in de jaren daarna omdat in Franeker ook  bijzondere scholen opgericht waren. Na 1900 nam het aantal leerlingen weer toe, omdat toen de Algemene Leerplichtwet ingevoerd werd.

In 1899 werden (als gevolg van bezuinigingen) de scholen A en B samengevoegd onder één schoolhoofd, die van school A. Beide scholen, voortaan school AB genoemd, kwamen in het gebouw aan de Zuiderkade (met een aparte ingang voor de lagere school aan de Schilbanken). Pas in 1921 werden lagere school en MULO weer losgekoppeld. De MULO werd vanaf die tijd ULO genoemd. Er werden voortaan alleen leerlingen toegelaten die zes klassen van de lagere school hadden doorlopen. Op de oude MULO kwamen de kinderen al vanuit de vierde klas van de lagere school.

Hubert Nauta was tot 1899 hoofd van school B, daarna kwam de leiding onder de hoofden van de MULO (school A): Johannes van Batenburg (tot 1904), Pieter Hibma (tot 1905) en Friedrich ten Kate (tot 1921).

Pier Felkers was (tot 1893) hoofd van school C. Zijn opvolgers waren respectievelijk: Pieter Wijga (tot 1898), Hubert Nauta (tot 1909), Jan Wesselink (tot 1912) en Wijtze Ennema.

TOP

De Armenschool en de Burgerschool

De Armenschool is in 1826 opgericht voor kinderen van wie de ouders geen schoolgeld konden betalen. Hoewel de Stadsschool of Burgerschool in die tijd verplicht was aan deze kinderen gratis les te geven, kwam daar in de praktijk weinig of niets van terecht. De Armenschool werd in 1826 ondergebracht in de voormalige hoofdwacht van de Schutterij, vóór het “Sjûkelân”, waar nu de torens in aanbouw zijn. Het was maar een klein gebouwtje, niet veel groter als tegenwoordig één schoollokaal, maar hier volgden wel honderd kinderen de lessen. In 1837 is de school aanzienlijk uitgebreid tot een lokaal van 15 bij 15 meter. In 1845 zaten daarin al 266 leerlingen en omstreeks 1870 was dit aantal gegroeid tot ongeveer 300. 

Omdat er duidelijk sprake was van een wantoestand, is de school toen gesplitst in een meisjesschool en een jongensschool. De jongens zijn in de oude school gebleven, terwijl de meisjes verhuisd zijn naar een oud professorenhuis aan de zuidkant van het Martiniplantsoen. Dat pand had vanaf 1789 als kazerne dienst gedaan, na de Franse Tijd werd het een  stadswerkhuis, maar daarna heeft een hele tijd leeggestaan. In 1840 had men de in dat jaar opgerichte Tussenschool er in ondergebracht. Die school was bedoeld voor kinderen van minvermogenden: mensen die het schoolgeld voor de Burgerschool niet volledig konden betalen. Toen de Tussenschool in 1870 werd opgeheven, is de Armenschool voor meisjes in dit gebouw gekomen.

Korte tijd later, in 1877, is er een geheel nieuwe Armenschool gebouwd op de afgegraven noordwester dwinger (een uitstekend deel van de voormalige vestingwerken) waarop daarvóór een korenmolen gestaan heeft. Deze school stond dus op de plaats van de tegenwoordige Kleijenburgschool. Het was een langwerpig gebouw met een gang in het midden, met aan elke kant zes lokalen. Hierin was plaats voor zowel de jongens als de meisjes.

De Burgerschool was al in 1803 opgericht. Eigenlijk was deze de voortzetting van de vroegere Nederduitse School. Het verschil met het oude systeem was, dat de onderwijzers voortaan eerst een examen moesten afleggen om schoolmeester te worden. Voor die tijd kon iedereen dit vak zonder diploma’s uitoefenen. Er waren vooreerst echter nog geen opleidingen voor onderwijzers. Slimme leerlingen bleven gewoon op school om als een soort knecht door hun eigen meester na schooltijd opgeleid te worden. Na verloop van tijd kregen de leerlingen een soort examen voorgelegd. Als je zestien jaar was kon je al onderwijzer van de vierde rang worden. Dit betekende dat je tegen een geringe vergoeding hulponderwijzer kon worden.

De Burgerschool was gehuisvest in het hetzelfde gebouw waarin de vroegere Nederduitse school, die in 1803 opgeheven is. Dat gebouw stond op de hoek van de Schoolsteeg en het Martiniplantsoen. Omdat de kwaliteit van het onderwijs aan de Burgerschool in het begin niet bijzonder hoog was, besloot de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, kortweg “‘t Nut” genoemd, in 1910 zelf een school op te richten. Pas in 1828 kreeg de Nutsschool een eigen gebouwtje gekregen: aan de noordzijde van het Martiniplantsoen, vlak bij de Kerksteeg. Het staat er nog steeds: het is nu het oudste nog bestaande schoolgebouw van Franeker. De Nutsschool is in 1853 opgeheven. Het gebouwtje heeft daarna nog verscheidene jaren dienst gedaan als dependance van de Burgerschool, die te kampen had met ruimtegebrek. Deze situatie bleef tot dat in in 1881 aan de Zuiderkade een niuwe school werd gebouwd.

TOP

De Nederduitse school

De Nederduitse school of stadsschool zat in het zelfde gebouw als de Latijnse school (later Stedelijk Gymnasium genoemd), dat in 1868 is opgeheven. De stadsschool had maar één lokaal voor alle leerlingen. De Nederduitse school is opgericht in 1544, samen met de Latijnse school. Het schoolgebouw stond op de hoek van de Schoolsteeg en het Martiniplantsoen. Hiervan is nog een ingemetselde steen te zien. De kinderen leerden daar lezen en schrijven en zingen en verder er was godsdienstonderwijs in overeenstemming met de leer van de kerk. Voor 1580 was dat de Rooms-Katholieke kerk, en daarna de Gereformeerde kerk.

De school begon ‘s morgens al om zes uur en eindigde om vijf uur ‘s middags, maar hiertussenin waren drie pauzes van een uur. In november, december en januari begon de school pas om acht uur en eindigde al om vier uur, zodat de kinderen nog bij licht naar huis konden gaan. Vanaf 1779 werden de schooltijden verkort van half negen ‘s ochtends tot zeven uur ‘s avonds, met twee pauzes van elk twee uur. In de winter ging de school om zes uur uit. Er was één vrije middag in de week: de donderdagmiddag. Zaterdags moesten de kinderen echter de hele dag naar school. Op zondag moesten ze ook al om zes uur op school komen, ter voorbereiding van de kerkdienst, die de kinderen onder toezicht van de meester in zijn geheel moesten bijwonen. Daarna gingen de kinderen weer terug naar school, zodat de meester ze kon ondervragen over de preek om te kijken of ze wel goed naar de preek hadden geluisterd. Wie niet goed had opgelet, moest ook nog de hele zondagmiddag voor straf op school blijven.

Vanaf 1613 hadden de kinderen woensdagmiddag en zaterdagmiddag vrij, wat overigens drie eeuwen zo is gebleven. Vanaf dat jaar hadden de kinderen acht vakantiedagen, ook wel “speeldagen”genoemd, over het hele jaar verspreidt. Vanaf 1779 was er vier keer per jaar vakantie (Pasen, Pinksteren, Franeker kermis en Kerstmis). De verplichte kerkgang op zondag was toen inmiddels vervallen.

In 1774 is het school gebouw geheel vernieuwd en vergroot. Er waren toen vier ruime lokalen waarvoor één bestemd was voor de Nederduitse school. In 1779 werd het vakkenpakket uitgebreidt met rekenen. De kinderen mochten echter alleen leren rekenen als hun ouders hier extra voor betaalden. Het schoolgeld bedroeg vijf stuivers per kwartaal. Voor elk boek wat een leerling uit had, moesten de kinderen een extra stuiver betalen. De meester verdiende aanvankelijk 80 Caroli gulden per jaar, maar in 1613 was dat bedrag verhoogd tot 200 gulden. Hierbij was echter inbegrepen het loon voor het bespelen van het orgel in de kerk op zondag.

In de loop van de 17de eeuw kwam er ook nog een tweede en een derde schoolmeester bij, maar waren voor 1700 al weer verdwenen, waarschijnlijk omdat ze het stadsbestuur te veel geld kostten. De schoolboeken waren ronduit slecht. De kinderen moesten alles uit het hoofd leren, zonder dat ze er iets van begrepen. Naast de Nederduitse school bestonden er ook enkele particuliere scholen, waarvan enkele, bestemd voor kinderen uit de deftige stand, goed waren. De rest van deze kleine schooltjes was buitengewoon slecht. Sommige meesters konden zelf nauwelijks lezen of schrijven, maar veel ouders vonden het toen al geweldig als hun kind zijn of haar eigen naam kon schrijven. In alle scholen zaten de kinderen toen op lange banken, naast elkaar. De ondeugende kinderen werden in de “schandhoek” geplaatst of met de “handplak” bestraft.

Dat het onderwijs in die tijd niet op een hoog peil stond, kwam ook doordat er in het geheel geen toezicht was op de wijze van lesgeven. Er was weliswaar een zogenaamd “College van Schoolarchen”, maar deze drie heren, in deze functie voor hun leven benoemd, hadden totaal geen verstand van onderwijs. Ze kwamen één of twee keer per jaar op school om de beste leeling een zilveren pen als beloning uit te reiken. Daarna verdwenen ze weer.

In 1799 is er door een commissie een rapport opgesteld over het onderwijs van die tijd, met de conclusie dat  “het onderwijs in Franeker bejammerenswaardig was”. Maar, zei men, er moest rekening gehouden worden met de slechte financiële situatie van de gemeente. De commissie stelde voor om ondermeesters aan te stellen om de taken van de (enige) schoolmeester te verlichten. Maar wegens het gebrek aan financiële middelen werden deze taken overgenomen door de beste leerlingen van de hoogste klas. Alle overige voorgestelde maatregelen werden door de gemeente naar de prullenbak verwezen. Om deze redenen hebben de leden van deze commissie unaniem hun functie neergelegd. Als gevolg van de nieuwe onderwijswetten in 1801 kwamen er daarna toch ingrijpende veranderingen. Als reactie daarop werd in 1803 de Burgerschool opgericht.

TOP